Boven Tafel

Boven Tafel voorbeeldpagina's
 

Het boek Boven Tafel (Arnhem, 2006) geeft een portret van de bewoners van de Veenendaalse wijk Het Franse Gat. Dat gebeurt via een terugblik op de vijftiger jaren, waarbij de geïnterviewden vertellen over hun herinneringen aan die tijd. Per hoofdstuk komt een ander thema aan bod. Het boek gaat gepaard met een kwartetspel over voorwerpen uit de jaren vijftig. De opdracht werd gegeven door Patrimonium woonstichting die zo enthousiast was over project Boven Tafel dat ze er een vervolgopdracht aan koppelden. Zie ook: kunstproject Boven Tafel.

Fragment uit de publicatie Boven Tafel:  
 
6. De keuken  
Een jeugd vol smaken en geuren: hoe Mart Andeweg-Tiemens leerde te eten en te koken  
 
‘Ik was tien jaar oud toen mijn eerste moeder overleed. We woonden op Het Wapen van Brandse, een heerboerderij op de landerijen van baron Brandse te Arnhem. Mijn vader was een Tiemens – de familie die van generatie op generatie rentmeesterde voor de baron. Na het overlijden van moeder verhuisde het gezin naar De Gulden Spijker, waar mijn opa rentmeester was.  
Een paar jaar kreeg mijn vader later weer kennis aan een vrouw, Jo Doorn. Zij werd mijn tweede moeder en ze kon heerlijk koken. ’  
 
Een moderne benadering  
 
‘Mijn tweede moeder was domineesdochter, en ze kwam uit een verlicht milieu. Vóór haar trouwen verdiende ze de kost als muzieklerares. In die tijd woonde ze zelfstandig, samen met haar zusje.  
Zoals ik als zei: ze verkeerde in een klimaat waarin men open stond voor nieuwe ideeën. Dat kon je ook merken aan haar stijl van koken. Zo kookte ze de groenten kort en in weinig water. Heel anders dan een van mijn tantes, die ook op de Gulden Spijker leefde. Als zij de andijvie klaarmaakte, dan kwam die bruin op je bord. En bij haar stond de boerenkool de ganse dag te koken – dat gaf zo’n muffe geur die het hele huis doortrok.’  
 
De Joodse slager in Nieuwstad  
 
‘Toen moeder met vader trouwde, was ze al achtendertig jaar oud. Ze was gewend haar eigen gang te gaan en het was een hele overgang om voortaan als moeder des huizes op te treden. Des te meer omdat de Gulden Spijker afgelegen stond – het kon eenzaam zijn, daar in dat grote huis. Maar ze wist kleine uitjes voor zichzelf te organiseren. Regelmatig fietste ze naar de Nieuwstad, een knooppunt van steegjes in het hart van Arnhem, waar ze orgaanvlees haalde bij de Joodse slager. Hersens en niertjes en lever. Daarmee maakte ze heerlijke gerechten klaar. Ik herinner me nog heel goed haar macaroni met niertjes, een van mijn lievelingsmaaltijden.  
We gingen ook vaak samen naar de stad, om boodschappen te doen. Een vast onderdeel was dan de stop bij banketbakker André, waar we onszelf trakteerden op een taartje, vaak een soes of een ander slagroomachtig iets.’  
 
Grote bossen kervel  
 
‘Ik was dol op kruudmoes. Dat bestond uit een karnemelkse gortepap, met rozijnen en verse worst. Vlak voor het opdienen gingen daar grote bossen kervel en een beetje kruizemunt in, die we achter uit de tuin haalden. Kruudmoes was een hoofdmaaltijd, en je at het met stroop. Als naspijs kreeg je dan pudding.  
Er stond van alles in de tuin – kruiden, groenten, fruit. Daarnaast kregen we ook vaak giften van de boeren op de landerijen van Brandse. Als het mei was, dan kwamen ze van de Betuwe de meikersen brengen, prachtige dikke rode kersen, in een mandje van verse bladeren gemaakt. Echt verrukkelijk. Ik heb sindsdien nooit meer zulke lekkere kersen gegeten.  
En achter op het land stonden drie oude tamme kastanjes waarvan grootvader zei dat het waarschijnlijk de oudste van Europa waren. We hebben de vruchten ervan wel eens gekookt. Dat had weinig smaak. Maar gepoft waren ze toch heel behoorlijk.’  
 
Boven Tafel, tekst: Sola Virtute, vormgeving en fotografie: Coen Pausma, coördinatie: Huijbers en Agelink, druk: Kapsenberg van Waesberge. ISBN: 90-9020879-6